Het idee van een ‘vrij samenspel van gemoedskrachten’ houdt me nogal bezig. Het idee is dat in ons binnenste tal van gemoedskrachten werkzaam zijn en dat zij onderling machtsverhoudingen kennen. Macht bestaat dus ook in ons, niet alleen buiten ons in de maatschappij. Het idee van een vrij samenspel waarschuwt voor een innerlijke verhouding waarin de ene gemoedskracht zich despotisch opstelt ten opzichte van andere gemoedskrachten die daardoor niet aan bod komen. Een vrij samenspel houdt meer gelijkwaardigheid tussen de gemoedskrachten in, dus bijvoorbeeld geen alleenheerschappij van het verstand, maar ook niet van het gevoel.
Dat idee van gelijkwaardigheid is al aanwezig bij de Duitse filosoof Immanuel Kant, die leeft in de tijd van de Franse revolutie en erg enthousiast is over de ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij gebruikt dat begrip vrijheid ook in hoe hij kennis ziet ontstaan, namelijk uit een vrij samenspel van zintuiglijke ervaring, verstand en verbeeldingskracht. Dat zijn al drie gemoedskrachten. De Nederlandse filosoof Spinoza nam een andere invalshoek. Terwijl het Kant gaat om de kenvermogens van de mens gaat het Spinoza om het handelingsvermogen van de mens. Hij somde ruim veertig affecten op die dit handelingsvermogen kunnen versterken of verzwakken.
De Duitse kritische theoretici Negt en Kluge verdubbelen dat en gaan ervan uit dat er 84 gemoedskrachten zijn. Daar zitten zowel kenvermogens als handelingsvermogens tussen. Zo noemen zij samenwerking, gehoorzaamheid en rebellie bijvoorbeeld als drie andere gemoedskrachten.
Als actieonderzoeker spreekt dit samenvoegen van kenvermogens en handelingsvermogens onder het kopje gemoedskrachten me bijzonder aan. Actieonderzoek beoogt kennis te ontwikkelen vanuit het handelen. Lewin had die beroemde uitspraak: ‘Als je iets echt wilt begrijpen, probeer het te veranderen’ (1951). Onze maatschappij scheidt beide institutioneel: kennis ontwikkelen doen ze aan de universiteit, handelen doen mensen in bedrijven en instellingen. In de jaren zeventig spraken we aan de universiteit van interne en externe democratisering. Medezeggenschap van studenten en medewerkers in de interne besturing, maar ook toegankelijkheid van de universiteit voor alle bevolkingsgroepen. Het idee van vrij spel van gemoedskrachten voegt daar een democratisering van het gemoed aan toe: handelingsvermogens als samenwerking, gehoorzaamheid en rebellie in een vrij samenspel brengen met de kenvermogens zintuiglijkheid, verstand en verbeeldingskracht. Daar worden de handelingsvermogens preciezer van en de kenvermogens zorgzamer.
Deze democratisering van het gemoed lijkt me hoogst relevant in een tijd waarin de overheid het handelingsvermogen van burgers wantrouwt en de bevolking overheid én wetenschap wantrouwt. De overheid werkt met het verstand (wetten, regels) als despotische kracht, daar tegenover protesteert een zintuiglijkheid die even despotisch de stikstofcrisis ontkent omdat je stikstof niet in je hand kunt vasthouden. Hoe krijg je tussen beide een vrij samenspel in plaats van elkaar belachelijk te maken?
Soortgelijke problemen doen zich ook voor in je individuele leven. Wilskracht doet ertoe om doelen te stellen en te realiseren, maar soms schiet die tekort en moet je iets laten gebeuren waar je niet op uit was. Gelatenheid is de gemoedskracht dat je iets kunt laten gebeuren, niet uit berusting, maar omdat je er ontvankelijk voor durft te zijn. Hier bestaat het vrije samenspel tussen wilskracht en gelatenheid erin tot een wederkerige productie van autonomie te komen. Dat is een fascinerend leerproces.