Sinds de verkiezing van Trump verandert onze wereld in hoog tempo. Zo hoog dat we een voortdurende behoefte hebben aan sensemaking (betekeniscreatie) over wat zijn woorden en daden nu allemaal betekenen. Ik heb de laatste tijd nauwelijks nog gesprekken waarin het niet even of zelfs uitgebreid aan de orde komt.
Sensemaking is een vorm van leren. Wat we doen in al die gesprekken, in het lezen van de krant of op het scherm, in het luisteren naar de radio, het kijken naar de TV is een voortdurende poging die veelheid en de heftigheid van de informatie terug te brengen naar iets dat we kunnen overzien, snappen, begrijpen en met elkaar in verband kunnen brengen. Karl Weick noemt dat ambiguïteitsreductie: we proberen alle dubbelzinnigheden, tegenstrijdigheden en onbegrijpelijkheden terug te dringen tot wat meer rust in ons hoofd. Want hoe moeten we weten wat we moeten doen als we niet snappen wat er aan de hand is?
En hoewel ‘we’ het onderwerp was in de vorige alinea, kun je het heel makkelijk lezen als een individuele opgave. Jij, lezer, en ik schrijver van dit stukje, doen allebei ons best chocola te maken van de clusterfuck waarin de wereld terecht is gekomen (dat is althans de sense die ik van de gebeurtenissen maak). Maar we doen dat chocola maken niet individueel; we doen het feitelijk in voortdurende interactie met elkaar. We luisteren naar hoe de ander dingen interpreteert en we opperen eigen gedachten, nieuwsgierig naar de vraag of jouw gedachten bij de ander herkenning oproepen. Het is een collectief knutselwerkje, erop hopend dat er een begrijpelijk mozaïekje uit tevoorschijn komt.
In dat mooie begrip ambiguïteitsreductie zit behalve een cognitieve en rationele kant, ook het ongemak besloten dat ambiguïteit heeft. Ambiguïteit is lastig, ongemakkelijk, aandachtvragend. Het jeukt, de irritatie maakt emoties los.
Emoties die zich voegen bij angsten voor oorlog, voor de toekomst van de democratie, de internationale rechtsorde, de voorspelbaarheid van onze wereld.
Die hele mix, en ik ben natuurlijk verre van compleet, is een turboleerproces.
Edgar Schein leerde ons ooit dat we allemaal last hebben van leerangst. Angst voor het nieuwe, het onbekende, de vraag of je er zelf mee om kunt gaan. Noem maar op, er zijn vakgenoten die het weerstand noemen. Schein zei daarbij dat leerangst overwonnen wordt als overlevingsangst groter is. Als we ons hachie moeten redden, overwinnen we de leerangst.
Dat is wat we nu zien. We overwinnen collectief allerlei bestaande leerangsten, allerlei veranderbelemmeringen nu onze overleving een serieus onderwerp is. We zien Europa in hoog tempo taboes bij het grote vuil zetten omdat het er echt op aankomt. De gezamenlijke vijand(en) drijven de club bijeen; ook het VK doet weer mee. De geschiedenis van Europa leert dat het van crises leert en steeds verder integreert. Dat lijkt nu in hoog tempo weer te gebeuren. Veel meer coördinatie en integratie van defensie. Andere en grotere financieringsruimten. Minder onderling gekrakeel.
Een Chinese verwensing luidt: “Dat je in interessante tijden mag leven”.
Dat lijkt te lukken. Doodeng, maar ook heel leerzaam.