1

Wat moet ik hier van denken?

Wat betekent ‘niet weten wat we ergens van zouden moeten denken’? Weten we het echt niet? Of weten we het eigenlijk wel, maar brengt wat we denken ons in verlegenheid. Zijn we huiverig voor reacties als we zouden uitspreken wat we denken. Laten we het liever bij de uitdrukking ‘ik zou niet weten wat ik hiervan moet denken’ en is het daarmee gezegd. 

Sinds mijn afstuderen aan de kunstacademie in 1990 is de queeste Hoe het ons toch telkens weer lukt om te verstrikken in de systemen die we notabene zelf bedenken de grondvraag van mijn werk met mensen in organisatie. Niet omdat ik er een oplossing voor gevonden heb, of er enige meesterschap over heb verworven. Verre van dat alles, het blijven onderzoeken van de queeste komt voort uit nieuwsgierigheid, geen vrijblijvende nieuwsgierigheid, maar noodzakelijke nieuwsgierigheid, om mijn eigen dagelijkse verstrikking proberen te doorzien en de systeemverstrikking die ik in de wereld waarneem. 

Als ik niet weet wat ik ergens van zou moeten denken weet ik inmiddels dat het opletten geblazen is. De ervaring leert dat ik me dan op de drempel van systeemverstrikking bevind. Niet dat ik altijd zin heb om dit op te merken. Want deze opmerkzaamheid is niet gemakkelijk. Ze zet aan tot een staat van geest waar ik niet kan wegkijken van wat er misschien niet helemaal klopt, van wat ik niet begrijp; ik moet uit mijn opgeruimde geest, de verwarring in.   

Wat we over iets denken begint bij wat we waarnemen. En wat we waarnemen gaat vloeiend over in wat we ‘voor waar nemen’. Wat als we stil zouden staan bij wat we in de eerste oogopslag zien? En het denkproces van afwegen hoe dat wat we zien zich met de heersende mores verhoudt opschorten. Stilstaan bij de eerste oogopslag opent een gebied wat aan parrhesia1 (vrijmoedig spreken) vooraf gaat. Een ruimte waar vrijmoedige woorden zich zouden vormen (of niet). Een tussenruimte in wezen. 

Waarom is het niet gemakkelijk om de infrastructuren waarmee we de aarde uitputten te transformeren? In de undercurrent van hoe we de wereld inrichten loopt in mijn ogen een rode draad van verslaving. Verslaving aan recht hebben op comfort. Alsof de wereld iets aan ons verschuldigd zou zijn. Alsof er iets of iemand out there is die verantwoordelijk is. Verontwaardigt dat we niet op onszelf teruggeworpen zouden moeten zijn. Raakt hier niet een gevoel van verhoudingen verloren? Van deze verslaving afkikken vraagt een radicale shift van hoe we onszelf in de wereld waarnemen, localiseren. Vraagt dat we onze respons-abiliteit2 onder de loep nemen. 

Het gaat me niet om een vingerwijzing naar wie of wat dan ook. Want naar buiten wijzen is het probleem. Ik bevraag het uit de eerder beschreven nieuwsgierigheid. Noodzakelijke nieuwsgierigheid naar onze ‘wetende onwetendheid’. Of, vrij naar Peter Sloterdijk3 in zijn ‘Kritiek van de cynische rede: ‘We weten wat we doen, maar we blijven het doen omdat we niet weten wat we anders moeten doen.

Als we stil staan kunnen we misschien doorzien dat het niet gemakkelijk is om met weidse blik te blijven kijken. Dat we, om de dingen te kunnen begrijpen, situaties verkleinen, vereenvoudigen en isoleren. Compartimenteren om alles te kunnen behappen. Kokerblik. Maar we kunnen ons niet onttrekken aan de onderlinge samenhang van alles, het inter-zijn; de inter-esse. De oorspronkelijke betekenis van het woord inter-esse haalt een dominant wereldbeeld overhoop. Vraagt te doorzien dat inter-esse voorbij gaat aan individuele interesse. Wat contra-intuïtief is voor de overtuigingen waarlangs we ons zelf verwerkelijken; als een solide, op zichzelf staande entiteit. Die vervolgens, hoe ironisch, zichzelf de hele tijd denkt te moet onderscheiden. 

Pas als het solide beeld van jezelf en de wereld overhoop is, is er een ‘in een oogopslag waarneming’ mogelijk. 

Door de verwarring de situatie in het gezicht zien, je eraan relateren en je stem inbrengen. Wat we denken over wat we zien en of we dat uitspreken is aan ons. In de wetenschap dat je waarneming partieel is, en context afhankelijk. 

Het is de reflectie in actie waartoe William James3 ruim een eeuw geleden uitnodigde met zijn vraag: 

‘Under what circumstances do we think things are real?’ 

Marjorieke Glaudemans, mei 2022 

1. Parrèsia – Het klassieke begrip parrèsia, het vrijmoedig spreken wortelt in de Griekse en Romeinse Oudheid, de politieke rol van de parrèsiastès, degene die zichzelf op het spel zet door waarheid te spreken. Michel Foucault onderzocht het begrip parrèsia voor de huidige tijd in verschillende collegereeksen die o.a. de basis vormden voor het boek ‘De moed tot waarheid’, Michel Foucault, Boom, 2011 en toont parrèsia eerder als ‘zorgen voor’ dan wel ‘op het spel zetten van.’ 

2. De repons-ability werkateliers bieden ruimte om het proces wat aan respons vooraf gaat te onderzoeken. https://iserruimte.org/respons-ability-werkatelier/

3. Kritiek van de cynische rede, Peter Sloterdijk1984

4. uit: Principles of Psychology, William James, 1902, vol. 2, hoofdstuk ‘The perception of reality’.  

Foto; Etalage in de st. Antoniebreestraat, Amsterdam, december 2021, Marjorieke Glaudemans,

onderdeel van ‘In search of the right question (the world is my studio)’, werk in proces.