Tussen wens en werkelijkheid

Het gilde der adviseurs, in elk geval der organisatieadviseurs, kent nogal al wat idealisten en ideologen in z’n populatie. Dat wil zeggen gedreven vakgenoten met uitgesproken opvattingen over hoe organisaties zouden moeten werken. Hoe strategie, structuur en cultuur op elkaar afgestemd zouden moeten zijn, hoe ze zouden moeten leren, ontwikkelen en evolueren tot cyaankleurige, onverdraaide, zelforganiserende netwerkorganisaties, waarin whywhat en how al net zo goed op elkaar zijn afgestemd als purposeprocess en people.

Hun klanten raken onbedoeld en onbewust verzeild in een cosmeticareclame waarin zij zelf acteren als modderende en ploeterende professionals die wanhopig pogen te overleven in hun al minstens even modderige en mislukte organisaties. Kortom, hopeloze losers die zullen moeten kiezen tussen de rest van hun leven slijten in de onderbuik en aan de zelfkant van het organisatorische bestaan of het maken van een radicale tocht door de U-bocht naar het lonkende paradijs van de ‘highest possible future’. Geen lastige keuze, zou je zeggen. Het kost wat, maar dan krijg je ook wat, nietwaar? En jawel, menig manager en bestuurder gaat ervoor, in de volle overtuiging echte verantwoordelijkheid te nemen en zo zijn vervallen koninkrijk opnieuw te kunnen leiden naar voorspoed en welvaart.

Ideeënleer
Je zou kunnen zeggen dat de idealisten en ideologen van nu in de voetsporen treden van Plato. In de beroemde vergelijking van de grot in de Phaedo vergelijkt Plato ons met gevangenen die, gezeten met de rug naar een groot vuur, de schaduwen op de muur voor de echte werkelijkheid houden. Sterker nog, ze nemen elkaar vanuit deze schijnkennis volop de maat wie de slimste is en wie het echt begrepen heeft. Filosofen gaan daarentegen volgens Plato op zoek naar de bron van het licht buiten de grot en proberen mensen te behoeden voor deze schijnkennis.
Het komt er op neer, aldus Plato, dat in een metafysische wereld ideale oervormen, oftewel ideeën, bestaan van de dingen zoals we ze dagelijks waarnemen. Dat verklaart waarom dingen herkenbaar zijn en blijven, maar tegelijkertijd toch voortdurend kunnen veranderen. Zo blijft een paard te herkennen als paard, ook als het slechts drie poten heeft, zwart of wit is, of als het ouder wordt. De essentie van het paard blijft bestaan. Deze ideeënwereld is volgens Plato alleen toegankelijk via het filosofisch denken.

Bovenaan de ideeënwereld staan volgens Plato ‘het goede, ware en schone.’ Zij wakkeren het verlangen aan te zoeken naar de juiste kennis, naar schoonheid en daarmee het goede te doen. Deze drang naar het hogere zetelt in de ziel, het onsterfelijke deel van de mens. Het lichaam is volgens Plato een kerker (de grot) waaruit de ziel bij de dood ontsnapt. Tijdens ons leven kunnen we al een voorschot nemen op onze onsterfelijkheid door filosofie te beoefenen. 
Ook Plato’s opvattingen over staatkunde vloeien voort uit deze ideeënleer. In zijn Politeia beschrijft hij de ideale staatsvorm: een maatschappij die geleid wordt door vorsten die kennis hebben van de ideeën zodat zij als rechtvaardige ‘filosoof-koningen’ regeren. Zou dat de samenleving werkelijk verder helpen?

Projectie
Freud schrijft: ‘Het leven zoals dat ons is opgelegd is te moeilijk voor ons. Het bezorgt ons te veel verdriet, teleurstellingen, en onoplosbare problemen. Wij kunnen het alleen verdragen met verzachtende middelen.’ Het oproepen van schone wensbeelden is volgens mij daarom een geliefde bezigheid onder leiders: ‘stippen op de horizon’, organisatie 2.0 of 3.0, ‘samen verder komen’, zelfsturing, leanagilescrum, ‘terug naar de bedoeling’ of ‘cyane organisaties’. Met externe adviseurs om deze verleidingen te verpakken en verkopen. Zulke ‘oplossingen’ zijn mijns inziens magische verlangens, spiegelbeeldig geprojecteerd vanuit een eigen onmacht. We plaatsen die tussen onszelf en de onverdraaglijke realiteit. Dan hoeven we die niet meer aan te kijken en kunnen we onszelf wijsmaken dat we onderweg zijn naar iets moois. ‘Pro stituere’ is latijn voor ‘ervoor plaatsen’, om de vergelijking nog maar wat duidelijker te maken.

Met andere woorden, zijn de schaduwen op de muur nu de projecties van de volmaakte oervormen in de ideeënwereld, of zijn die volmaakte ideeën zelf een projectie van onze verlangens in reactie op een onverdraaglijke werkelijkheid? Aristoteles vond die ideeënwereld van Plato in elk geval maar een zinloze verdubbeling van de werkelijkheid, die afleidde van wat je van de echte werkelijkheid kon leren.

Alternatief van Aristoteles
In tegenstelling tot Plato vertrouwde Aristoteles wel op de zintuiglijke waarneming. Sterker nog, hij vond het essentieel eerst de werkelijkheid zo nauwkeurig mogelijk waar te nemen en te beschrijven hoe de dingen gaan. Om zich op basis daarvan af te vragen waarom de dingen gaan zoals ze gaan. De verschillen, misverstanden en conflicten die ontstaan komen wat Aristoteles betreft niet zozeer voort uit de waarnemingen zelf, maar uit de verschillende verbanden die mensen leggen tussen hun waarnemingen. Dat betekent dat alle mensen in essentie iets van een wetenschapper in zich hebben. Elk mens heeft een stelsel van aannames over oorzaak-gevolg-relaties in de werkelijkheid in zijn hoofd. ‘Nobody is a-theoretical’, om met Chris Argyris te spreken.

Zowel Plato als Aristoteles komen dus tot de conclusie dat waarneming en interpretatie van de mens behoorlijk problematisch is. Dat de mens een verkokerde, gekleurde bril op heeft en op een bevooroordeelde manier de verschijnselen dan wel hun samenhang interpreteert. Van de constructivisten en sociaal constructionisten in onze tijd leren we dat de mentale modellen, theories-of-action of cause maps waarmee we oorzaak-gevolgrelaties in de werkelijkheid begrijpen vervolgens weer onze waarneming aansturen. Het is niet: ‘ik geloof het pas als ik het zie’, maar: ‘ik zie wat ik geloof,’ aldus Karl Weick. Chris Argyris stelt: ‘we leven allemaal in onze eigen mentale gevangenis van aannames en overtuigingen, waaruit we pas kunnen ontsnappen als we zien waar de muren staan.’

Waar een wil is, moet die weg
Als we dan met Aristoteles meegaan dat de waarneming ons toch wel iets te bieden heeft, dan is de vraag hoe je dat zo zuiver en onbevooroordeeld mogelijk doet. Misschien dat het volgende citaat van Herman Hesse ons op weg helpt: “Onzuiver en misvormd is de blik vanuit het willen. Pas als wij niets meer willen, pas als ons kijken zuivere beschouwing wordt, opent zich het wezen der dingen, de schoonheid. Wanneer ik een bos bekijk, dat ik kopen, pachten, omhakken kan, waarin ik wil jagen, dat ik met een hypotheek belasten wil, dan zie ik niet het bos, maar alleen wat met mijn willen, met mijn plannen en zorgen, met mijn portemonnee te maken heeft. Dan bestaat het uit hout, het is jong of oud, gezond of ziek. Wanneer ik er echter niets van wil en zo maar gedachteloos diep in het groen alle beelden, geuren en geluiden tot mij neem, dan pas is het bos, is het natuur, is het mooi, geeft het verwondering.”

Met onze gekleurde bril op zien we niet de ongedeelde werkelijkheid, maar een door onszelf in utilitaire dingen verdeelde werkelijkheid. We maken daar geen deel van uit, maar staan ertegenover als een toeschouwer. Of erger nog, als een gebruiker. Het goede en het schone vallen dan samen met het nuttige. Waarmee we onszelf verheffen boven de ons omringende werkelijkheid die we vervolgens mogen exploiteren, in plaats van onze eigen bescheiden plek daarin te zien. En te begrijpen dat datgene wat goed is voor het geheel dus ook goed is voor onszelf.

Ambacht van het schone
De wereld is niet perfect en kan dat niet zijn. Schoonheid gaat misschien wel over het toelaten en insluiten van het onvolmaakte. Dus liefdevol aankijken van alle, ook door onszelf, wel en niet nagekomen afspraken, onze gelukte en mislukte plannen, toevalligheden, stuntelige of briljante ingevingen van anderen en onszelf en onbedoeld aangerichte parels en pijn. ‘Ik stuntel, dus ik ben,’ om met filosoof-cabaretier Tim Franssen te spreken. Pas dan kunnen we het geheel zien er ervaren zoals het er is. Pas dan opent zich de mogelijkheid te handelen vanuit wat wijs is voor het geheel. Zo kunnen we een geloofwaardige voorganger zijn voor anderen, als leider of als adviseur. Een reuze klus, maar elk stapje in deze richting helpt in mijn ervaring.

‘Forget your perfect offering
There’s a crack in everything
That’s how the light gets in.’*

Die stapjes bestaan voor mij uit het scheppen van ruimtes, groot en klein, telkens weer, waar alles er kan en mag zijn. Waar alles en iedereen die ertoe doet voor een vraagstuk wordt gezien en alle stemmen kunnen worden gehoord en begrepen, zonder oordeel vooraf of het wel voldoende past in het magische wensbeeld van wat goed, waar of schoon zou zijn. In zo’n veilige, met liefde en ambachtelijke precisie ‘schoongehouden’, onderzoeksruimte kan het ware zich tonen. Heel voorzichtig, in nog net te verdragen stapjes en hoeveelheden. Daar en dan kunnen we ons al even behoedzaam van onze beschermende maskers en wikkels ontdoen: ontwikkelen. En als zich dan iets van het ware in zijn naaktheid toont, wordt het stil. Omdat de stilte de kerkklok is van het ware. Omdat iedereen dan beseft dat het zo is en dat het hierom gaat. Waarna elke aanwezige weet heeft van het goede dat hem of haar te doen staat. Omdat elk woord dan een nieuwe wikkel zou zijn die het ware weer verhult. 

Die stilte is voor mij de ultieme schoonheid.

Paul Kloosterboer

(* uit de song: ‘Anthem’ van Leonard Cohen)