Dystopisch leren

Wij van de Ambachtsschool zijn van leren. We heten niet voor niets een school. Leren over organiseren en veranderen; kijken of we de gezamenlijke kennis een klein stapje verder kunnen brengen door onderzoek, uitwisseling van ervaringen en expliciteren van onze steeds veranderende inzichten. Deze winter vulden we samen een special van het blad M&O over onze tijdloze helden: over vakgenoten die zoveel voor ons vak betekenen dat hun inzichten de tand des tijds weerstaan. Daar bouwen we graag op door. 
Maar mag ik eens een dwarse gedachte proberen?

We leven in een lineaire tijd waarin vooruitgang en groei gezien worden als iets goeds en waarin leren het proces is dat die continue ontwikkeling ondersteunt. Daarbij gebruiken ook wij de metafoor dat we op elkaars schouders staan om hoger te komen, om verder te reiken. Leren is positief.
Maar leren is geen generiek ding. De Engelse filosoof John Gray[i] maakt het onderscheid tussen bètawetenschap en techniek aan een kant en ontwikkeling van ethiek en moraal aan de andere kant. Bij bèta en techniek is de schoudermetafoor evident: er loopt een stijgende lijn van onze kennis en de toepassing ervan door de hele geschiedenis. Vanaf het moment dat we leerden planten en dieren te domesticeren, via Newton, Darwin en Einstein tot deze tijd van digitalisering. We kunnen ons almaar verder specialiseren en de gezamenlijke kennis tot nieuwe en verbeterde toepassingen brengen. Maar volgens Gray geldt dat niet voor onze moraal, onze ethiek. Hier ziet hij geen opgaande lijn, maar eerder een horizontale golfbeweging met pieken, dalen en herhalingen. Zoals ook de mode zich steeds (net anders) herhaalt. Hier leren we niet door op schouders te staan, maar door steeds opnieuw betekenis te geven aan wat zich voordoet. 
Beide vormen samen leiden tot hoogte- en dieptepunten in de beschaving, die door de technische vooruitgang steeds verder uit elkaar lopen. We kunnen bijvoorbeeld nu met militaire drones vernietigingen aanrichten zonder zelf gevaar te lopen: geavanceerde techniek, bedenkelijke moraal.

Wat betekent dat voor onze tijd? We leven in dystopische tijden met een virus, waarvan we weten dat het voortkwam uit de manier waarop we de samenleving organiseren. Maar dat is niet het enige wat er aan de hand is. De techniek gaat voort, ons vermogen om het te hanteren schiet tekort. De klimaatcrisis, het populisme, opkomende dictators, een fragiele economie, de verschillen tussen arm en rijk, de bedreigde rechtsorde, de afname van onze biodiversiteit. En dan is dit nog lang geen uitputtend rijtje 

Iedere ontwikkeling, goed of slecht, is het rechtstreekse of indirecte gevolg van ons vermogen tot leren. Het brengt ons computers èn atoomwapens, mensenrechten èn complottheorieën, humanisme èn fanatici, burenhulp èn hedgefunds. Dat niet alle vooruitgang ook verbetering is, is een afgekloven mantra in ons vak. Maar dat wil nog niet zeggen dat we er echt van leren en erkennen dat sommige ontwikkelingen uit ons vak tot ellende leiden. Wat is echt een duurzame verbetering en wat is – op langere termijn – juist schadelijk? Hoe maken we het onderscheid bijtijds? Hoe kunnen we leren dat we niet alles moeten willen leren? En zouden we dát dan niet als eerste moeten leren?

Klinkt nog wat abstract hè? Misschien maak ik het met een voorbeeld concreter. Hadden we kunnen voorzien welke schade we aanbrachten met lean en mean en just-in-time organiseren? Met de op-lange-termijn fragiliserende effecten[ii] hiervan? Of hadden we zoveel belang bij deze mode dat we de ogen voor de gevolgen sloten?

Of iets dichter bij huis van de ambachtsschool. Hoe kritisch zijn we tegen de eindeloze psychologisering en individualisering van ons vakgebied? Hoe leidt dat af van onderliggende structuren en systemische krachten? Waar wordt ons vak verengd tot een feel good movie met een voorspelbaar happy end? 

Hoeksteen van de wetenschap is het falsifiëren van onderzoek: waar kan je gaten schieten in een theorie? Zouden we dat in ons vak ook niet beter moeten doen? Erkennen dat leren vooral is je eigen overtuigingen weer afbreken en erachter kijken? Niet in een achterkamertje, maar luidop en in het openbaar? Dwars en kritisch zodat de schouders waarop je wilt staan de zware lasten mee kunnen dragen?

Jaap van ‘t Hek


[i] John Gray, Strohonden

[ii] Nassim Nichaolas Taleb, Antifragiel